Het begon allemaal in 1899, toen Louis Renault samen met zijn broers Marcel en Fernand in Frankrijk het merk Renault oprichtte. Wat startte als een autofabriek groeide al snel uit tot een veelzijdig bedrijf dat ook bestelwagens, vrachtwagens en bussen produceerde. Maar het duurde niet lang voordat Renault zijn zinnen zette op de landbouw: in 1919 rolde de allereerste Renault-tractor van de band.
Deze eerste tractor, de Renault GP, was een robuuste rupsmachine die zijn techniek leende van een lichte tank die Renault tijdens de Eerste Wereldoorlog had ontwikkeld. Met een gewicht van 2300 kilo, een watergekoelde 4-cilinder benzinemotor en 30 pk, zette deze tractor direct een stevige stap in de agrarische wereld.
Niet veel later, in 1920, volgde een verbeterde versie: de Renault HI. Twee jaar daarna werd de HO geïntroduceerd, Renaults eerste wieltractor met een 20 pk sterke motor. De opvallend gestroomlijnde motorkap leek sprekend op die van Renault's auto's en vrachtwagens uit die tijd — een knipoog naar het autoverleden van het merk.
In 1926 verscheen de PE, een tractor met een gegoten chassis waarin motor, versnellingsbak en vooras harmonieus samenwerkten. De PE was er in een standaarduitvoering met 1,65 meter spoorbreedte, maar ook als slanke wijnbouwvariant van slechts 1,14 meter breed. De machines waren herkenbaar aan hun groene lak met rode accenten en hadden als bijzonderheid een handbediende hefinrichting. Van de PE-serie, inclusief de gemoderniseerde PE-1 en PE-2, werden er in totaal 1.840 gebouwd.
Renault bleef experimenteren. De RK uit 1929 had een bijzondere gloeikopmotor die draaide op bijna alles wat vloeibaar en brandbaar was — van petroleum tot olie. Deze twee-cilinder leverde zo’n 20 pk. In 1933 introduceerde Renault de wieltrekker VY en rupstrekker VI, beide voorzien van krachtige dieselmotoren uit eigen huis. De VI kreeg zelfs een 8,5 liter viercilinder met maar liefst 50 pk.
Een jaar later kwam Renault met de lichte en wendbare YL, bedoeld voor middelgrote en kleine boerenbedrijven. Deze tractor maakte gebruik van een 1,5 liter benzinemotor uit de Renault Celtaquatre personenauto. De YL evolueerde uiteindelijk in de AFV, met een 2,4 liter motor — ook afkomstig uit de personenwagendivisie.
Tijdens de oorlogsjaren ontwikkelde Renault de 300-serie. In 1942 werd de 304 geïntroduceerd, en na de bevrijding verscheen de vernieuwde 304 E1. Deze serie groeide uit tot diverse modellen, waaronder de smalspoorvarianten 3044 en 3045. De eerste tractoren na de oorlog werden in 1950 weer in Nederland geleverd, met onder andere de 7012, 7013, 7022 en 7023.
In datzelfde jaar opende Renault een nieuwe fabriek in Le Mans — het begin van een nieuw tijdperk. In 1956 verscheen de populaire D-serie, waaronder de D16, D22 en D35 met MWM-luchtgekoelde dieselmotoren, en de D30 met een Perkins diesel. Renault’s Agri-Route versnellingsbak bood zes versnellingen, waarvan de hoogste twee gesynchroniseerd waren voor weggebruik.
De N-serie volgde in 1960 als verbeterde versie van de D-serie, met modellen zoals de N70 tot N73. Vervolgens kwam de Super-serie in 1962, later opgefrist met modernere styling in 1964. Renault breidde het assortiment uit met krachtigere modellen, zoals de 385 (later Master 1 en 2), en introduceerde in 1965 de Super-D serie met de geavanceerde Tracto-Control hefinrichting.
Vanaf 1967 kwam de 50/80-serie, met zowel luchtgekoelde MWM- als vloeistofgekoelde Renault/Alfa-motoren. In 1968 verscheen een aparte smalspoorlijn (50 t/m 80) en een nieuwe 90-serie met motoren tot 93 pk.
Een mijlpaal volgde in 1972 met de introductie van de 1-serie — van de compacte 301 tot de machtige 1451-4 met 145 pk. De tractoren kregen moderne vierwielaandrijving en hogere bodemvrijheid. In 1976 werd Indumij BV in Den Haag importeur voor Nederland.
In maart 1981 gaf Renault zijn tractoren een frisse, moderne uitstraling met een antraciet-okergele kleurstelling, gepresenteerd op de SIMA-beurs in Parijs. De luxe TX-serie werd geïntroduceerd met een revolutionaire kantelbare cabine voor eenvoudig onderhoud. Omdat deze topmodellen niet voor elke boer betaalbaar waren, verschenen ook goedkopere reeksen zoals de LS, TS en RS.
Renault innoveerde ook op comfort. In 1987 kwam de TZ-cabine met het 'hydrostable'-veersysteem, dat trillingen en schokken effectief dempte. Dit systeem kreeg veel lof, ook internationaal. In 1989 volgden de lichtere MX en PX-series, vernoemd naar hun motorleveranciers MWM en Perkins.
In 1993 zag de Ceres het licht — de eerste tractor met het nieuwe Renault-logo. Opvallend waren de aflopende motorkap, de nieuwe vooras en de compacte cabine, al viel die laatste niet bij iedereen in de smaak.
De laatste vernieuwingsgolf bracht de Cergos, Temis, Ares en Atles voort. Uiteindelijk nam Claas het landbouwsegment van Renault stap voor stap over, om in 2008 het eigendom volledig over te nemen.